Boerenprotest

 

4B7D0865-7AFE-4072-9BB0-87A74EEDC80E

 

De laatste weken zien we ze regelmatig op tv en over ‘s heren wegen voorbij komen. Lange rijen zware tractoren, op weg naar een protestactie. Een beeld, dat we in ons land maar weinig zien, normaalgesproken. Boeren zijn niet zo van het protesteren, maar meer van het zwijgzaam, of zelfs lijdzaam toegeven.

Na de Tweede Wereldoorlog was het iedereen in Nederland duidelijk: nooit meer een hongerwinter. Nederland was altijd al een agrarisch land geweest, maar moest onder de eerste na-oorlogse landbouwminister Sicco Mansholt aan meer efficiënte landbouw gaan doen. Boerenbedrijven moesten opgeschaald worden, moesten gemechaniseerd worden, het oude gemengde bedrijf werd steeds meer verdrongen door gespecialiseerde bedrijven. De oude manier van boeren; een paar melkkoeien, een stel wroetende varkens voor de slacht, een hok vol kippen voor de eieren en een groot stuk vruchtbare grond om het benodigde voer op te verbouwen, was achterhaald. Het moest efficiënter, maar vooral groter.

Sicco Mansholt (1974)

Sicco Mansholt in 1974

 

Door deze schaalvergroting gingen de prijs per geproduceerde eenheid omlaag; de wet van vraag en aanbod. Boeren moesten dus meer gaan produceren om hetzelfde inkomen te houden. Stallen moesten groter, om meer dieren te kunnen huisvesten. De boer moest naar de coöperatieve Boerenleenbank om geld te kunnen lenen voor die uitbreiding. Hij moest dus nu, behalve voor inkomen, ook voor rente en aflossing zorgen. Meer inkomen genereren dus. Dus meer dieren nemen, of efficiënter werken. Meer dieren op een zelfde oppervlakte en beter voer. Voer, waarmee de melkproductie omhoog ging, voer dat meer vlees per varken opbracht, voer dat betere en meer eieren leverde. De boer kon dat voedsel niet langer zélf verbouwen, maar betrok dat van de coöperatie die mengvoeders produceerde.

Het boerenbedrijf werd groter en groter en begon problemen te ondervinden. Ziektes onder de dieren. Stankoverlast. Protesterende dierenwelzijnsorganisaties die tegen het houden van teveel dieren op te kleine oppervlaktes waren. Niet de schuld van de boer zelf, wel van het kapitalistische systeem, waarin hij in de loop van de jaren, tegen wil en dank, in verstrikt was geraakt.

Al die problemen noodzaakten de boer tot nieuwe investeringen. Stallen moesten groter, want dieren moesten meer ruimte. Stallen moesten voorzien worden van luchtwassers. En zo voort en zo verder. Mest werd een probleem. De boer kreeg steeds meer te maken met regelgeving, waarvoor weer nieuwe investeringen nodig waren. De boer ging niet meer naar de coöperatieve Boerenleenbank; de accountmanager van de Rabobank, die inmiddels een ordinaire commerciële instelling was geworden, kwam in leasebak en strak pak wel bij de boer op bezoek en adviseerde hem samen met adviseurs van LTO, de boerenbelangenorganisatie, om de schaal nog verder te vergroten. De prijs per geproduceerde eenheid was immers nog verder gedaald, terwijl door alle regelgeving in dit bomvolle land én door de hypotheeklast én door het nóg geavanceerder mengvoer, de kosten per eenheid alleen maar stegen.

De boer was in een vicieuze kapitalistische cirkel terecht gekomen. Terwijl de Albert Heijns en andere grootgrutters stuntten met kiloknallers, knalde zijn hoofd uit elkaar, hoe hij de eindjes aan elkaar moest knopen. De helft van alle varkensboeren leefde al onder de armoedegrens; na de afschaffing van het melkquotum en de invoering van het fosfaatplafond, gingen meer en meer melkveehouders ook die kant op.

FE213B5A-55E7-46B1-AE6B-6A2BFF00AE58

En toen kwam de uitspraak van de Raad van State. De uitstoot van stikstof was in Nederland veel te hoog. En daar was de boer de hoofdoorzaak van. Terwijl juist diezelfde boer als geen ander in de afgelopen twintig jaar zo keihard had gewerkt om die uitstoot te reduceren. Toen knapte het bij de boer. Hij verliet zijn boerderij, waar hij bedolven onder papier en wetgeving probeerde nog wat geld voor zijn gezin te verdienen en stapte in zijn tractor om naar het provinciehuis en naar Den Haag te rijden.

En terecht, denk ik. Want de politiek heeft al die regels, waarin onze boer, die óns voedsel produceert, verstrikt is geraakt, bedacht. Maar zijn al die regels wel nodig, als de boer een veel eerlijker prijs zou krijgen voor zijn product? Kan de boer dan niet op een veel meer verantwoorde manier ons voedsel produceren. Waar zit de boer meer aan gebonden; aan wet- en regelgeving of aan het kiloknallerbeleid van Hallo Jumbo en die frisse nieuwe filiaalleidster van Appie? Moet de boer de volgende keer niet met zijn trekker en collega’s naar Veghel, om de Jumbo-familie Van Eerd de oren te wassen, of naar Zaandam om de aandeelhoudersvergadering van Ahold de waarheid te vertellen?

Hoe het ook zij: de boer verdient een eerlijke prijs voor zijn product; ons voedsel.